In de volgende secties vindt u voorbeelden van manieren waarop u enkele aspecten van het uiterlijk van het GNOME-bureaublad kunt configureren, zoals de achtergrond van het bureaublad en de schermbeveiliging, 3D-bureaubladeffecten, thema's, het gedrag van vensters of menu's.
De bureaubladachtergrond is de afbeelding of de kleur die u op het bureaublad hebt toegepast. U kunt de bureaubladachtergrond op de volgende manieren aanpassen:
Selecteer een afbeelding voor de bureaubladachtergrond. De afbeelding wordt over de achtergrondkleur van het bureaublad heen geplaatst. De kleur van de bureaubladachtergrond is zichtbaar als u een transparante afbeelding selecteert of als de afbeelding niet het hele bureaublad bedekt.
Selecteer een kleur voor de bureaubladachtergrond. U kunt een effen kleur selecteren of een verloopeffect maken met twee kleuren. Een verloopeffect is een visueel effect waarbij de ene kleur langzamerhand overgaat in een andere kleur.
De bureaubladvoorkeuren wijzigen:
Klik op +++.
![]() |
Als u de afbeelding op de achtergrond wilt wijzigen, selecteert u een van de opties voor in de lijst en selecteert u de stijl waarin u de afbeelding op het bureaublad wilt schikken.
Als u een aangepaste afbeelding wilt gebruiken, klikt u op en selecteert u een afbeeldingsbestand in het bestandssysteem.
Als u geen afbeelding op de achtergrond wilt plaatsen, geeft u een kleurenschema op met behulp van de opties in de vervolgkeuzelijst en de kleurkeuzeknoppen.
Wanneer u tevreden bent met uw keuzes, klikt u op .
Het bureaublad wordt meteen aangepast aan de nieuwe instellingen.
Xgl is een Xserver-architectuur waarin u het bureaublad kunt veranderen in een roterende 3D-kubus, vensters kunt stapelen terwijl ze elkaar niet overlappen en waarin u kunt afwisselen tussen taken terwijl u live miniaturen weergeeft. U kunt doorschijnende of transparante vensters inschakelen, in- en uitzoomen op het bureaubladscherm en andere venstereffecten gebruiken zoals schaduwen, vervagen en transformeren. U kunt vensters ook zo configureren dat ze aan andere vensters en schermranden vastklikken als ze worden verplaatst.
Als u Xgl wilt activeren, hebt u een grafische adapter nodig die 3-D ondersteunt. Ook hebt u het grafische stuurprogramma nodig dat Linux gebruikt voor de werking van de grafische adapter. Dit stuurprogramma moet OpenGL-verzoeken (of 3-D) van de Linux-kernel kunnen verwerken. Zie voor een lijst met ondersteunde adapters het bestand /etc/X11/xgl-hardware-list dat is opgenomen in de installatieprocedure voor SUSE Linux Enterprise Desktop. In dit bestand vindt u welke grafische kaarten samenwerken met Xgl, welke kaarten dat niet doen, en welke kaarten mogelijk samenwerken met Xgl, naar niet worden ondersteund, omdat ze te langzaam zijn of andere bekende gebreken vertonen.
De schermresolutie moet tussen 1024x768 en 1920x2000 liggen. Daarnaast moet de kleurdiepte ingesteld zijn op 24-bits. 3-D versnelling moet ook zijn ingeschakeld. Met SaX2 kunt u de eigenschappen van de grafische kaart en de monitor indien nodig wijzigen.
Bureaubladeffecten inschakelen:
Klik op +.
Klik op in de groep .
Het hulpprogramma Bureaubladeffecten analyseert uw systeem en probeert te bepalen of u wel of niet met Xgl kunt werken. Als een probleem wordt gevonden, wordt een advies gegeven voor de te ondernemen actie. U moet bijvoorbeeld de schermresolutie of de kleurdiepte aanpassen of 3-D versnelling activeren. Volg de instructies op het scherm om het systeem te configureren voor Xgl.
![]() |
Nadat u het systeem hebt geconfigureerd voor Xgl, klikt u op .
Typ het rootwachtwoord en klik op .
Klik op als u zich wilt afmelden bij de sessie. Typ vervolgens uw gebruikersnaam en het wachtwoord om u weer aan te melden.
De standaardbureaubladeffecten zijn nu ingeschakeld. Vensters "trillen" bijvoorbeeld wanneer ze voor het eerst verschijnen en wanneer u ze verplaatst, en ze vervagen wanneer u ze sluit. Wanneer u een venster helemaal naar rechts sleept op het scherm, wordt de bureaubladkubus geroteerd. Ga naar de paragraaf "Bureaubladeffecten wijzigen" als u deze effecten wilt wijzigen.
U kunt Xgl ook inschakelen met de volgende opdracht als root:
gnome-xgl-switch --enable-xgl
Als u Xgl wilt uitschakelen, klikt u op in het dialoogvenster of voert u de volgende opdracht uit als root:
gnome-xgl-switch --disable-xgl
Gebruik het hulpprogramma om bepaalde bureaubladeffecten in of uit te schakelen, of om de toetsaanslagen of muisacties te wijzigen waarmee deze effecten worden aangestuurd.
Klik op +.
Klik op in de groep .
Kies uit een van de volgende opties:
Klik op wanneer u klaar bent met het aanbrengen van wijzigingen.
U kunt ook gconf-editor gebruik om de Xgl-instellingen te wijzigen.
Klik op +++ of druk op Alt-F2 en typ gconf-editor.
Navigeer naar de registermappen apps/compiz/general en apps/compiz/plugins en breng de gewenste wijzigingen aan.
Klik op + om de te sluiten.
Met de opties op dit tabblad kunt u opgeven wat er gebeurt als u vensters verplaatst, hoe vensterovergangen worden weergegeven en hoe u de vensterdekking aanpast.
Standaard worden vensters transparant wanneer u ze verplaatst. Als u de vensterranden wilt laten vastklikken aan de randen van andere vensters en werkruimten wanneer u Shift ingedrukt houdt tijdens het verplaatsen, moeten de selectievakjes en zijn ingeschakeld.
U kunt ook opgeven dat vensters er vervormd (beverig) uitzien als u ze verplaatst of vergroot/verkleint, waarmee u de indruk wekt dat het venster vloeiend is en niet strak.
Met deze opties voegt u effecten toe voor het verschijnen en verdwijnen van vensters en menu's wanneer u deze opent en sluit. De vensters verdwijnen ook in een vloeiende beweging in de taakbalk wanneer ze worden geminimaliseerd en nemen vloeiend hun normale grootte weer aan wanneer u ze opnieuw opent.
Met deze optie kunt u met het muiswiel bepalen hoe transparant een venster op het scherm wordt weergegeven. Selecteer , en selecteer de knop of de knoppencombinatie die u wilt gebruiken. Selecteer een venster, houd de geselecteerde knop of knoppen ingedrukt, schuif het muiswiel omhoog of omlaag om de transparantie van het venster te wijzigen.
Met de opties op dit tabblad geeft u op hoeveel zijden de bureaubladkubus heeft, met welke combinatie van toetsaanslag en muisknop u de kubus versleept en hoe u de randen spiegelt.
Standaard ziet u met deze optie vier bureaubladen op de zijden van een virtuele kubus die u kunt roteren om elk bureaublad te openen. U beschikt zo over extra ruimte om de open toepassingen en vensters te rangschikken. U kunt bijvoorbeeld een editor op één bureaublad zetten, een aantal shells op een tweede en de e-mailtoepassing en de webbrowser op het derde bureaublad. U roteert de kubus met Ctrl-Alt-← en Ctrl-Alt-→, zodat u toegang krijgt tot de programma's in het geselecteerde bureaublad. U voorkomt zo dat vensters op één bureaublad boven op elkaar worden gestapeld.
Als u een venster naar de rand van het scherm sleept, wordt de kubus geroteerd en het venster op het nieuwe bureaublad geplaatst. Als u de kubus handmatig wilt roteren in 3-D, drukt u op Ctrl-Alt, klikt u met de linkermuisknop op het bureaublad en versleept u de muisaanwijzer. Met Ctrl-Alt-Shift-← of → kunt u de kubus roteren en neemt u ondertussen het geselecteerde venster mee.
Gebruik de opties onder om de standaardtoetsaanslagen te wijzigen die u gebruikt voor het roteren van de kubus.
Meer informatie over het toevoegen van een afbeelding achter de kubus vindt u bij de paragraaf "Een hemelkoepel weergeven achter de kubus ".
Wanneer de functie voor randen spiegelen is ingeschakeld, wordt de bureaubladkubus naar de volgende zijde geroteerd wanneer u met de muisaanwijzer tegen de rand van het scherm stoot. U kunt kiezen of u de rand altijd wilt spiegelen of dat u deze functie alleen activeert wanneer u een venster of een pictogram naar de rand van het bureaublad sleept.
Gebruik de schuifregelaar onder aan het tabblad om te bepalen hoe lang (in microseconden) het duurt om de kubus te roteren nadat u met een venster of de muisaanwijzer tegen de rand van het bureaublad hebt gestoten.
Met de opties op dit tabblad kunt u de opties configureren voor het naast elkaar plaatsen van vensters, voor zoomen en voor watereffecten.
Met deze optie kunt u de vensters op het bureaublad naast elkaar plaatsen (schalen) zodat u ziet welke vensters zijn geopend. U kunt vervolgens een specifiek venster selecteren. Zo ziet u ook een afbeelding met alle toepassingen die op het bureaublad zijn geopend. Als u op Ctrl-Alt-↑ drukt, worden alle vensters verkleind en rangschikt u ze opnieuw op het scherm zonder dat ze elkaar overlappen. Als u een venster selecteert met de muis krijgen alle vensters weer hun oorspronkelijke afmetingen en positie, waarbij het geselecteerde venster bovenop ligt.
Als u de toetsaanslagen wilt wijzigen waarmee u de vensters naast elkaar plaatst, klikt u op het vakje rechts van totdat verschijnt. Druk vervolgens op de toetsaanslagen die u wilt gebruiken. De nieuwe toetsaanslagen verschijnen in het vak.
U kunt er ook voor kiezen om de vensters naast elkaar te plaatsen door de muisaanwijzer naar linksboven (standaard), rechtsboven, linksonder of rechtsonder op het scherm te verplaatsen.
Met deze opties kunt u op gedeelten van het scherm inzoomen of uitzoomen. Hiermee verbetert u de toegankelijkheid van het bureaublad voor visueel gehandicapte gebruikers of iedereen die een gedeelte van het scherm groter wil weergeven.
Standaard zoomt u door op de Super-toets (de Windowstoets) en knop 3 te drukken in op een deel van het bureaublad. Als u een muis met twee knoppen hebt, drukt u op de Super-toets en vervolgens tegelijkertijd op de linker- en rechterknop. U kunt de muis verplaatsen terwijl u deze knoppen ingedrukt houdt om andere gedeelten van het scherm te zien. U kunt ook op de Super-toets drukken en het muiswiel gebruiken om handmatig op het bureaublad in en uit te zoomen.
Verder kunt u deze opties uitschakelen of de toetsaanslagen voor het zoomen wijzigen.
Met deze optie ontstaat een rimpeleffect op het scherm wanneer u de opgegeven toets of toetscombinatie (standaard Ctrl-Alt-Super) ingedrukt houdt of de muisaanwijzer verplaatst. Als u drukt op Shift-F9 kunt ook een regeneffect in- of uitschakelen. Als u de toetsaanslagen wilt wijzigen waarmee u het regeneffect inschakelt en uitschakelt, klikt u op het vakje rechts van totdat verschijnt. Druk vervolgens op de toetsaanslagen die u wilt gebruiken. De nieuwe toetsaanslagen verschijnen in het vak.
Gebruik de balk met schuifregelaar onder aan het tabblad om de intensiteit van het regeneffect te bepalen.
In de volgende tabel ziet u een lijst met de standaardtoetsaanslagen en de muisbewegingen die u kunt gebruiken om de bureaubladeffecten uit te voeren. Ga naar de paragraaf "Bureaubladeffecten wijzigen" als u deze snelkoppelingen wilt wijzigen.
Tabel 2.1. Sneltoetsen voor bureaubladeffecten
Hieronder ziet u een aantal andere handelingen die u met Xgl kunt uitvoeren.
Druk op Alt-→| om een miniatuurweergave te openen met alle vensters die op het bureaublad zijn geopend. Druk terwijl u de Alt-toets ingedrukt houdt op Tab om door de lijst met vensters te bladeren. De focus gaat naar het momenteel gemarkeerde venster. Laat de toetsen los om dat venster te openen.
Druk op Ctrl-Alt-↓ om de bureaubladkubus uit te vouwen en een panoramische weergave van alle bureaubladen te openen. De bureaubladkubus wordt als een filmstrook over het scherm geplaatst. Met ← en → kunt u een ander scherm selecteren. Dit is vergelijkbaar met de wisselfunctie (Alt-→|), maar u ziet een miniatuur van het hele bureaublad in plaats van de actieve vensters.
U kunt een achtergrondbehang (ook wel hemelkoepel genoemd) toevoegen die zichtbaar is wanneer u de bureaubladkubus roteert of uitvouwt.
Klik op +++ of druk op Alt-F2 en typ gconf-editor.
Ga naar de registermap apps/compiz/plugins/cube/screen0/options.
Blader naar beneden door de lijst rechts in de en selecteer .
Dubbelklik op en geef het pad op naar de afbeelding van de hemelkoepel die u achter de kubus wilt weergeven.
De afbeeldingen van de hemelkoepel moeten de indeling .png hebben. De afbeeldingen van de hemelkoepel hebben de voorgestelde afmetingen 1024 x 1024, 1024 x 2048, 1024 x 4096, 2048 x 1024, 2048 x 2048, 2048 x 4096, 4096 x 1024, 4096 x 2048 en 4096 x 4096.
(Optioneel) Selecteer zodat het lijkt of u zich door de kubus verplaatst wanneer u de kubus roteert met de muis.
Klik op .
Klik op + om de te sluiten.
Als u de lettertypen wilt selecteren die moeten worden gebruikt in toepassingen, vensters, terminals en op het bureaublad, klikt u op +++.
In het bovenste gedeelte van het dialoogvenster ziet u de lettertypen die zijn geselecteerd voor toepassingen, documenten, bureaublad, venstertitels en een lettertype met een vaste breedte voor terminals. Klik op een van de knoppen om een selectiedialoogvenster te openen waarin u de lettertypegroep, de stijl en de grootte kunt opgeven. Voor meer informatie over de afzonderlijke opties klikt u op .
U kunt de weergave en het gedrag van menu's en werkbalken configureren. Klik op +++.
Als u pictogrammen wilt weergeven in menu's, selecteert u . Niet alle menuopties hebben pictogrammen.
Als u nieuwe sneltoetsen voor menuopties wilt definiëren, selecteert u . Wanneer deze optie is ingeschakeld, kunt u een sneltoets voor een toepassing wijzigen door de aanwijzer op de te wijzigen menuoptie te plaatsen en op de nieuwe toetscombinatie te drukken. Als u een sneltoetscombinatie wilt verwijderen, plaatst u de aanwijzer op de menuoptie en drukt u op <— of op Del.
![]() | Met nieuwe toetscombinaties kunnen standaardinstellingen worden gewijzigd |
|---|---|
Als u een nieuwe toetscombinatie toewijst, wordt u niet gewaarschuwd als u een combinatie selecteert die voorheen aan een andere optie was toegewezen. De eerste toewijzing wordt verwijderd en vervangen door de nieuwe. Er is geen automatische manier om de oorspronkelijke, standaard sneltoets voor een opdracht te herstellen. U moet de snelkoppeling handmatig opnieuw toewijzen. Met deze functie kunt u geen snelkoppelingen wijzigen die gewoonlijk zijn toegewezen voor alle toepassingen, zoals Ctrl-C voor kopiëren. Dat zou leiden tot inconsistenties in de GNOME-toepassingen. | |
Als u werkbalken wilt kunnen verplaatsen naar andere locaties op het scherm, klikt u op . Als deze optie is ingeschakeld, verschijnt een handgreep links naast de werkbalken in uw toepassingen. Als u een werkbalk wilt verplaatsen, klikt u op de handgreep en sleept u de werkbalk terwijl u de muisknop ingedrukt houdt, naar de nieuwe locatie.
Selecteer een van de volgende opties om te bepalen hoe werkbalkknoplabels worden weergegeven in uw GNOME-toepassingen:
hiermee worden de labels weergegeven onder de knoppictogrammen.
hiermee geeft u pictogrammen weer op de werkbalk, met tekst naast de belangrijkste pictogrammen.
hiermee geeft u alleen pictogrammen weer en geen tekstlabels.
hiermee geeft u tekstlabels weer voor elke knop zonder pictogrammen.
U ziet een voorbeeld van de geselecteerde optie in het dialoogvenster .
Een schermbeveiliging is een programma dat het scherm leegmaakt en een afbeelding weergeeft wanneer de computer gedurende een bepaalde tijd niet wordt gebruikt. Oorspronkelijk diende de schermbeveiliging als beveiliging voor monitoren om te voorkomen dat afbeeldingen daarin gebrand werden. Nu worden ze vooral gebruikt als versiering of beveiliging.
Als u de schermbeveiliging wilt configureren, klikt u op +++.
U kunt kiezen uit (willekeurige selectie van schermbeveiliging uit een eigen lijst), of een selectie van geïnstalleerde schermbeveiligingen.
Selecteer een schermbeveiliging uit de lijst. De momenteel geselecteerde schermbeveiliging wordt getoond in het kleine voorbeeldvenster. Geef op hoe lang het scherm inactief moet zijn voordat de schermbeveiliging wordt geactiveerd, en of het scherm wordt vergrendeld als de schermbeveiliging wordt geactiveerd.
Een thema is een groep van gecoördineerde instellingen waarmee de visuele weergave van een deel van het bureaublad wordt bepaald. U kunt thema's kiezen om het uiterlijk van het bureaublad te wijzigen. Gebruik het hulpprogramma om een thema te selecteren uit een lijst met vooraf geïnstalleerde thema's. De lijst met beschikbare thema's omvat diverse thema's voor gebruikers met speciale toegangsvereisten.
Als u een thema wilt kiezen, klikt u op +++.
Een thema bevat instellingen die van invloed zijn op verschillende onderdelen van het bureaublad:
Met de instelling voor besturingselementen van een thema bepaalt u het uiterlijk van vensters, deelvensters en applets. Ook bepaalt u hiermee het uiterlijk van de onderdelen van de GNOME-interface die verschijnen in vensters, deelvensters en applets, zoals menu's, pictogrammen en knoppen. Een aantal opties voor besturingselementen zijn ontworpen voor speciale toegangsvereisten. U kunt een optie voor de besturingselementen selecteren op het tabblad van het hulpprogramma .
De instelling voor het vensterkader van een thema bepaalt alleen het uiterlijk van de kaders rond vensters. U kunt een optie voor het vensterkader selecteren op het tabblad van het hulpprogramma .
De pictograminstelling voor een thema bepaalt het uiterlijk van de pictogrammen in deelvensters en de bureaubladachtergrond. U kunt een optie voor de pictograminstelling selecteren op het tabblad van het hulpprogramma .
De kleurinstellingen voor het bureaublad en de toepassingen worden bepaald aan de hand van thema's. U kunt kiezen uit een reeks vooraf geïnstalleerde thema's. Als u een stijl kiest uit de lijst, wordt deze automatisch toegepast. Met opent u nog een dialoogvenster waar u de stijl van losse bureaubladelementen kunt aanpassen, zoals de vensterinhoud, vensterranden en pictogrammen. Als u wijzigen aanbrengt en het dialoogvenster sluit door op te klikken, verandert het thema in . Klik op om het gewijzigde thema onder een aangepaste naam op te slaan. Via internet en andere bronnen zijn er veel aanvullende thema's voor GNOME beschikbaar als .tar.gz-bestanden. U kunt deze installeren met .
Procedure 2.1. Een aangepast thema maken
De thema's die worden vermeld in het hulpprogramma vormen verschillende combinaties van opties voor besturingselementen, vensterkaders en pictogrammen. U kunt een eigen thema maken waarin verschillende optiecombinaties worden gebruikt.
Klik op +++.
Selecteer een thema uit de lijst met thema's en klikt op .
Selecteer de optie voor besturingselementen die u in het aangepaste thema wilt gebruiken in de lijst op het tabblad .
Klik op het tabblad en selecteer vervolgens de kaderoptie die u wilt gebruiken in het aangepaste thema.
Klik op het tabblad en selecteer vervolgens de pictogramoptie die u wilt gebruiken in het aangepaste thema.
Klik op +.
Het dialoogvenster verschijnt.
Typ een naam en een korte omschrijving voor het aangepaste thema in het dialoogvenster en klik op .
Het aangepaste thema wordt nu weergegeven in de lijst met beschikbare thema's.
Procedure 2.2. Een nieuw thema installeren
U kunt een thema toevoegen aan de lijst met beschikbare thema's. Het nieuwe thema moet een gecomprimeerd archiefbestand zijn in de tar-indeling (een .tar.gz-bestand).
Klik op +++.
Klik op .
Geef de locatie van het archiefbestand op in het veld en klik op .
U kunt ook klikken op om naar het bestand te zoeken.
Klik op om het nieuwe thema te installeren.
Procedure 2.3. Een nieuwe optie voor een thema installeren
U kunt nieuwe opties installeren voor besturingselementen, vensterkaders of pictogrammen. Via internet kunt u allerlei opties voor besturingselementen vinden.
Klik op +++.
Klik op en vervolgens op het tabblad voor het type thema dat u wilt installeren.
Als u bijvoorbeeld een optie voor pictogrammen wilt installeren, klikt u op het tabblad .
Klik op .
Geef de locatie van het archiefbestand op in het veld en klik op .
Klik op om de nieuwe themaoptie te installeren.
Procedure 2.4. Een optie voor een thema verwijderen
U kunt opties voor besturingselementen, vensterkaders of pictogrammen verwijderen.
Klik op +++.
Klik op en vervolgens op het tabblad voor het type optie dat u wilt verwijderen.
Klik op .
Er wordt een bestandsbeheervenster geopend met de standaardoptiemap.
Gebruik het bestandsbeheervenster om de optie te verwijderen.
Gebruik het hulpmiddel om het venstergedrag voor het bureaublad aan te passen. U kunt bepalen hoe een venster reageert op contact met de aanwijzer of op dubbelklikken op de titelbalk. Ook kunt u bepalen welke toets u ingedrukt moet houden om een toepassingsvenster te verplaatsen.
Als u het gedrag van venster wilt aanpassen, klikt u op +++.
Het bureaublad is gevuld met diverse toepassingsvensters. Het actieve venster is standaard het venster waarop het laatst is geklikt. U kunt dit gedrag wijzigen met de optie . Indien gewenst activeert u en past u de wachttijd aan met de schuifregelaar. Hiermee worden vensters korte tijd hoger weergegeven nadat een venster de focus krijgt.
Toepassingvensters kunnen worden verborgen (opgerold) door op de titelbalk te dubbelklikken, zodat alleen de titelbalk nog zichtbaar is. Hiermee bespaart u ruimte op het bureaublad. Dit is het standaardgedrag. U kunt ook instellen dat vensters worden gemaximaliseerd wanneer u op de titelbalk dubbelklikt.
Met de keuzerondjes kunt u een modificatietoets opgeven waarop moet worden gedrukt om een venster te verplaatsen (Ctrl, Alt, Hyper of de Windows-toets).