Start The GIMP via het hoofdmenu. U kunt ook gimp & invoeren op een opdrachtregel.
Als u GIMP de eerste keer start, wordt een configuratiewizard geopend voor het voorbereiden van de configuratie. De standaardinstellingen zijn voor de meeste doeleinden geschikt. Klik op in elk dialoogvenster tenzij u bekend bent met de instellingen en de voorkeur geeft aan een andere configuratie.
Standaard verschijnen er drie vensters. U kunt ze rangschikken op het scherm en, met uitzondering van de werkset, sluiten als u ze niet meer nodig hebt. Als u de werkset sluit, wordt de toepassing gesloten. In de standaardconfiguratie blijft de vensterindeling bewaard, wanneer u afsluit. Dialoogvensters die u open laat, verschijnen op dezelfde manier wanneer u het programma de volgende keer start.
Het hoofdvenster van GIMP, dat u ziet in Afbeelding 14.1, "Het hoofdvenster", bevat de belangrijkste instellingen van de toepassing. Als u dit venster sluit, wordt de toepassing beëindigd. Via de menubalk bovenaan krijgt u toegang tot bestandsfuncties, uitbreidingen en Help. Daaronder ziet u pictogrammen voor de diverse hulpmiddelen. Als u de muis boven een pictogram houdt, verschijnt informatie over de functie.
De huidige voorgrond- en achtergrondkleur worden weergegeven in twee overlappende vakken. De standaardkleuren zijn zwart voor de voorgrond en wit voor de achtergrond. Klik op het vak om een dialoogvenster voor kleurselectie te openen. Wissel de voorgrond- en achtergrondkleur om met het gebogen-pijlsymbool rechtsboven de vakken. Gebruik het zwart-witte symbool linksonder om de kleuren weer op de standaardinstelling terug te zetten.
Rechts ziet u de momenteel geselecteerde penselen, patronen en kleurverlopen. Klik op de weergegeven items om een selectievenster te openen. In het onderste gedeelte van het venster kunnen verschillende opties worden geconfigureerd voor het huidige gereedschap.
Onder het gereedschap wordt een dialoogvenster weergegeven met de opties voor het geselecteerde gereedschap. Als het dialoogvenster niet wordt weergegeven, opent u het door te dubbelklikken op het pictogram van het gereedschap.
In het eerste gedeelte selecteert u via de keuzelijst de afbeelding waarop de tabbladen betrekking hebben. Klik op als u wilt dat de actieve afbeelding automatisch wordt gekozen. Standaard is ingeschakeld.
Met geeft u de verschillende lagen weer in de huidige afbeeldingen en kunt u die lagen bewerken. Meer informatie vindt u in de paragraaf "Lagen". U gebruikt om de kleurkanalen van de afbeelding weer te geven en te bewerken.
Met Paden beschikt u over een op vectoren gebaseerde functie om gedeelten van een afbeelding te selecteren. U kunt ze ook gebruiken om te tekenen. Bij ziet u de paden die beschikbaar zijn voor een afbeelding en krijgt u toegang tot de padfuncties. geeft een beperkte geschiedenis weer van de wijzigingen die zijn aangebracht aan de huidige afbeelding. U vindt een beschrijving van het gebruik in de paragraaf "Fouten ongedaan maken".