Inhoud
In SUSE Linux Enterprise kunt u gemakkelijk documenten afdrukken, of de computer nu rechtstreeks is aangesloten op een printer of via een externe verbinding met het netwerk. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u printers instelt in SLED en hoe u afdruktaken kunt beheren.
Voordat u een printer kunt installeren, moet u het rootwachtwoord weten en de printergegevens bij de hand hebben. Afhankelijk van hoe u de printer aansluit, hebt u misschien ook de printer-URI, het TCP/IP-adres van de host en het stuurprogramma voor de printer nodig. Bij SLED wordt een groot aantal veelgebruikte printerstuurprogramma's meegeleverd. Als u een stuurprogramma voor de printer niet kunt vinden, controleert u de website van de printerfabrikant.
Klik op .
Voer het rootwachtwoord in.
Klik op en selecteer het verbindingstype voor deze printer.
een printer die is aangesloten op een ander Linux-systeem op hetzelfde netwerk dat met CUPS werkt of een printer die op een ander besturingssysteem is geconfigureerd voor IPP.
een printer die is aangesloten op een ander systeem dat een printer deelt via een SMB-netwerk (bijvoorbeeld een printer die is aangesloten op een Microsoft Windows-computer).
een printer die is aangesloten op een ander UNIX-systeem dat kan worden geopend via een TCP/IP-netwerk (bijvoorbeeld een printer die is aangesloten op een Linux-systeem op het netwerk).
een printer die rechtstreeks op het netwerk is aangesloten in plaats van op een computer.
Voer de gegevens van de printer in en klik op .
Selecteer het printerstuurprogramma voor deze printer en klik op .
U kunt ook een printerstuurprogramma installeren vanaf een schijf of het nieuwe stuurprogramma downloaden van de website van de printerfabrikant.
Geef de gewenste opties (zoals een beschrijving of de locatie) voor de printer op in het dialoogvenster Eigenschappen en klik op .
De geïnstalleerde printer verschijnt in het venster Printers. U kunt nu op de printer afdrukken vanuit een willekeurige toepassing.
Sluit de printerkabel aan op de computer en sluit de voeding van de printer aan.
Het printerdialoogvenster moet nu worden geopend. Als dit niet gebeurt, klikt u op om het venster te openen.
Voer het rootwachtwoord in.
Klik op .
Als de printer automatisch is gedetecteerd, selecteert u de printer uit de lijst. Als de printer niet automatisch is gedetecteerd, klikt u op en selecteert u de correcte printerpoort.
Klik op .
Selecteer het printerstuurprogramma voor deze printer en klik op .
U kunt ook een printerstuurprogramma installeren vanaf een schijf of het nieuwe stuurprogramma downloaden van de website van de printerfabrikant.
Geef de gewenste opties (zoals een beschrijving of de locatie) voor de printer op in het dialoogvenster Eigenschappen en klik op .
De geïnstalleerde printer verschijnt in het dialoogvenster Printers. U kunt nu op de printer afdrukken vanuit een willekeurige toepassing.