Afbeeldingen bewerkenAfbeeldingen bewerken

GIMP biedt een aantal hulpmiddelen voor het aanbrengen van wijzigingen in afbeeldingen. De hier beschreven functies zijn met name interessant voor particuliere gebruikers.

De afmetingen van de afbeelding wijzigenDe afmetingen van de afbeelding wijzigen

Nadat u een afbeelding hebt gescand of een digitale foto hebt geladen uit een camera, moet u vaak de afmetingen aanpassen om de foto weer te geven op een webpagina of om deze af te drukken. Afbeeldingen kunnen gemakkelijk worden verkleind door de resolutie te verlagen of door er gedeelten af te knippen. Het is echter moeilijker om een afbeelding groter te maken. Vanwege de aard van rasterafbeeldingen gaat er kwaliteit verloren wanneer een afbeelding wordt vergroot. U kunt het beste een kopie van de originele afbeelding bewaren voordat u deze verkleint/vergroot of bijsnijdt.

Een afbeelding bijsnijdenEen afbeelding bijsnijden

Het knippen van een afbeelding lijkt op het afknippen van de randen van een stuk papier. Selecteer het gereedschap in het gereedschapsvenster (het pictogram lijkt op een scalpel) of met Gereedschap+Transformatie+Knippen & herschalen. Klik op een hoekpunt en sleep tot het gebied dat u wilt behouden binnen het kader valt.

Er wordt een klein venster geopend met informatie over het beginpunt en de afmetingen van het geselecteerde gedeelte. Pas de waarden aan door te klikken op een hoek van het snijvak en deze te verslepen of door de waarden in het venster aan te passen. Met Van selectie past u het bij te snijden gedeelte aan de huidige selectie aan (selecties komen aan de orde in de paragraaf "Gedeelten van afbeeldingen selecteren"). Autokrimpen maakt het bij te snijden gedeelte kleiner op basis van kleurveranderingen in de afbeelding.

Klik op Annuleren om het bijsnijden af te breken. Klik op Bijsnijden om de afbeelding bij te snijden. De resultaten van Schalen zijn gelijk aan die van Canvasgrootte wijzigen, die worden beschreven in de paragraaf "De afmetingen van het canvas wijzigen".

Een afbeelding schalenEen afbeelding schalen

Selecteer Afbeelding+Afbeelding schalen om de algemene grootte van een afbeelding te wijzigen. Selecteer de nieuwe grootte door de gewenste waarde in te voeren in Breedte of Hoogte. Als u de afbeeldingsverhoudingen wilt wijzigen tijdens het schalen (hiermee verstoort u de afbeelding), klikt u op het kettingpictogram rechts van de velden om de koppeling daartussen te verbreken. Wanneer deze velden zijn gekoppeld, worden de velden verhoudingsgewijs aangepast als een van de velden verandert. Pas de resolutie aan met X-resolutie en Y-resolutie.

Interpolatie is een optie voor de expert waarmee de methode voor het schalen wordt ingesteld. Wanneer u de grootte hebt aangepast, drukt u op Schalen om de afbeelding te schalen. U kunt de oorspronkelijke waarden herstellen met Opnieuw instellen. Met Annuleren breekt u de procedure af.

De afmetingen van het canvas wijzigenDe afmetingen van het canvas wijzigen

Als u de canvasgrootte wijzigt, wordt er een soort mat rond de afbeelding gemaakt. Ook al is de mat kleiner dan de afbeelding, blijft de rest van de afbeelding wel bestaan, maar kunt u dat niet zien. Als de lijst groter is, ziet u de hele afbeelding met extra ruimte daar omheen. Selecteer Afbeelding+Canvasgrootte als u de canvasgrootte wilt wijzigen.

Voer in het dialoogvenster dat verschijnt de nieuwe grootte in. Standaard blijven bij breedte en bij hoogte dezelfde verhoudingen bewaard als in de huidige afbeelding. Klik op het kettingpictogram om dit te wijzigen.

Nadat u de afmetingen hebt aangepast, bepaalt u hoe de bestaande afbeelding moet worden geplaatst ten opzichte van de nieuwe grootte. Voer waarden in bij Verspringen of sleep het vak binnen het kader onderaan. Wanneer u tevreden bent met de wijzigingen, klikt u op Herschalen om de canvasgrootte te wijzigen. Klik op Opnieuw instellen om de oorspronkelijke waarden te herstellen of klik op Annuleren om het wijzigen van de canvasgrootte af te breken.

Gedeelten van afbeeldingen selecterenGedeelten van afbeeldingen selecteren

Het is vaak handig om een bewerking alleen op een gedeelte van de afbeelding uit te voeren. Hiertoe selecteert u het gedeelte van de afbeelding die u wilt bewerken. U kunt gedeelten selecteren met de selectiefuncties in de werkset, het snelmasker of een combinatie van verschillende opties. U kunt selecties ook wijzigen met de opties onder Selecteren. De selectie wordt aangegeven met een stippellijn, de zogenaamde marching ants.

De selectiefuncties gebruikenDe selectiefuncties gebruiken

De belangrijkste selectiefuncties zijn gemakkelijk toe te passen. Het padhulpmiddel, dat ook voor andere doeleinden geschikt is, is een ingewikkelder functie die hier niet wordt beschreven. Voor de opties van de overige selectiefuncties kiest u een van de pictogrammen in de rij Modus om te bepalen of de selectie de bestaande selectie moet vervangen, daaruit moet worden verwijderd of een intersectie daarmee moet vormen.

Rechthoek selecteren

Hiermee kunt u een rechthoek of een vierkant selecteren. Bij de opties voor het gereedschap kiest u uit Vrije selectie, Vaste grootte en Vaste verhouding om de vorm en grootte van de selectie te bepalen. Als u in de modus Vrije selectie een vierkant wilt selecteren, houdt u de Shift-toets ingedrukt tijdens het selecteren van een gebied.

Ellips selecteren

Hiermee kunt u een elliptisch of cirkelvormig gebied selecteren. Dezelfde opties zijn beschikbaar als een rechthoekige selectie. Als u Shift ingedrukt houdt tijdens het selecteren, verkrijgt u een cirkel.

Vrij selecteren (Lasso)

Teken met deze functie een selectiegedeelte door de muis over de afbeelding te slepen terwijl u de linkermuisknop ingedrukt houdt. De eindpunten worden verbonden met een rechte lijn wanneer u de functie loslaat. Het gedeelte binnen het gebied is dan geselecteerd.

Vage selectie (toverstokje)

Met dit gereedschap selecteert u een aaneengesloten gebied op basis van overeenkomst. In het dialoogvenster stelt u bij de gereedschapsoptie Drempel het maximale verschil in tussen de kleuren.

Op kleur selecteren

Bij deze functie worden alle pixels in de afbeelding geselecteerd die dezelfde of vergelijkbare kleuren hebben als de pixel waarop is geklikt. Het maximale verschil tussen kleuren kan worden ingesteld in het dialoogvenster met opties bij Drempel.

Intelligente schaar

Klik op een reeks punten in de afbeelding. Als u klikt, worden de punten met elkaar verbonden op basis van de kleurverschillen. Klik op het eerste punt om het gebied te sluiten. Converteer het naar een gewone selectie door erin te klikken.

Het snelmasker gebruikenHet snelmasker gebruiken

Het snelmasker is een manier om gedeelten van een afbeelding te selecteren met de schilderfuncties. Een goede manier om deze te gebruiken is een ruwe selectie maken met de intelligente schaar of de lasso (vrije selectie). Vervolgens activeert u het snelmasker door te klikken op het kleine pictogram met de stippelomtrek in de linkerbenedenhoek.

Het snelmasker geeft de selectie weer met een rode overlay. Met rood gearceerde gebieden worden niet geselecteerd. Gebieden die hetzelfde zijn gebleven bij het toepassen van het masker, worden geselecteerd. Als u de selectie wilt wijzigen, gebruikt u de schilderfuncties. Als u schildert met wit, selecteert u de geverfde pixels. Als u schildert met zwart, wordt de selectie opgeheven. Grijstinten (kleuren worden verwerkt als grijstinten) vormen een gedeeltelijke selectie. Gedeeltelijke selecties maken vloeiende overgangen mogelijk tussen geselecteerde en niet-geselecteerde gebieden.

Als u een andere kleur wilt gebruiken voor het weergeven van het snelmasker, klikt u met de rechtermuisknop op het snelmasker en selecteert u Kleur en ondoorzichtigheid configureren in het menu. Klik op het gekleurde vak in het dialoogvenster dat verschijnt, om een nieuwe kleur te selecteren.

Nadat u de schilderfuncties hebt gebruikt om de selectie aan uw wensen aan te passen, gaat u van de snelmaskerweergave terug naar de normale selectieweergave door te klikken op het pictogram in de linkerbenedenhoek van het afbeeldingsvenster (momenteel een rood vakje). De selectie wordt weer aangegeven met de "marching ants".

Kleur toepassen en verwijderenKleur toepassen en verwijderen

Bij de meeste afbeeldingsbewerkingen moet u kleur toepassen of verwijderen. Als u een deel van de afbeelding selecteert, beperkt u de plaats waar de kleur kan worden toegepast of verwijderd. Wanneer u een functie selecteert en de cursor op een afbeelding plaatst, verandert de cursor om de gekozen functie aan te geven. Voor veel functies wordt een pictogram voor het huidige gereedschap weergegeven samen met een pijl. Voor de schilderfuncties wordt een omtrek van het penseel weergegeven, zodat u precies kunt zien wat u schildert in de afbeelding en hoe groot het gebied is dat u schildert.

Kleuren selecterenKleuren selecteren

Schilderfuncties maken gebruik van de voorgrondkleur. Klik eerst op het weergavevak met de voorgrondkleur om de kleur te selecteren. Er verschijnt een dialoogvenster met vier tabbladen. Deze tabbladen bieden verschillende kleurselectiemethoden. Hier wordt alleen het eerste tabblad, dat u ziet in Afbeelding 18.2, "Het kleurselectiedialoogvenster", beschreven. De nieuwe kleur wordt weergegeven bij Huidig. De vorige kleur wordt weergegeven bij Oud.

Figuur 18.2. Het kleurselectiedialoogvenster

Het kleurselectiedialoogvenster

De eenvoudigste manier om een kleur te selecteren is via de gekleurde gebieden in de vakjes links. Klik in de smalle verticale balk op een kleur die lijkt op de gewenste kleur. In het grotere vak links ziet u de beschikbare nuances. Klik op de gewenste kleur. Deze wordt vervolgens weergeven bij Huidig. Als dat niet de gewenste kleur is, probeert u het nogmaals.

Met het pijltje rechts van Huidig kunt u een aantal mogelijke kleuren opslaan. Klik op de pijl om de huidige kleur naar de historie te kopiëren. Een kleur kan vervolgens worden geselecteerd door erop te klikken in de historie. U kunt ook een kleur selecteren door rechtstreeks de hexadecimale kleurcode te typen in HTML-notatie.

De kleurselectie werkt standaard met kleurtoon om een kleur te selecteren. Dit is het gemakkelijkste voor een nieuwe gebruiker. Als u wilt selecteren op verzadiging, waarde, rood, groen of blauw, selecteert u het overeenkomstige keuzerondje aan de rechterkant. U kunt ook de schuifregelaars en de nummervelden gebruiken om de momenteel geselecteerde kleur te wijzigen. Experimenteer om er achter te komen wat u het handigste vindt.

Wanneer de gewenste kleur wordt getoond bij Huidig, klikt u op OK. Als u de oorspronkelijke waarden wilt herstellen die werden weergegeven toen u het dialoogvenster opende, klikt u op Herstellen. Als u wilt stoppen met het wijzigen van de kleur, klikt u op Annuleren.

Als u een kleur wilt selecteren die al bestaat in de afbeelding, gebruikt u de kleurenkiezer, waarvan het pictogram lijkt op een pipet. Gebruik de opties om in te stellen of de voorgrond- of de achtergrondkleur moet worden geselecteerd. Klik vervolgens op het punt in de afbeelding dat de gewenste kleur aangeeft. Wanneer de kleur correct is, klikt u op Sluiten om het dialoogvenster te sluiten.

Schilderen en wissenSchilderen en wissen

Gebruik de functies in de werkset om te schilderen en te wissen. Er zijn een aantal opties beschikbaar om elke functie in te stellen. Drukgevoelige opties zijn alleen van toepassing wanneer een drukgevoelig tekentablet wordt gebruikt.

Het potlood, het penseel, de verfspuit en het gum werken ongeveer net als hun tastbare tegenhangers. De inktfunctie werkt als een kalligrafeerpen. Teken door te klikken en te slepen. Met vullen kunt u gedeelten van een afbeelding inkleuren. Dit gebeurt op basis van de kleurovergangen in de afbeelding. Als u de drempel aanpast, wijzigt u de gevoeligheid voor kleurovergangen.

Tekst toevoegenTekst toevoegen

Met de tekstfunctie kunt u gemakkelijk tekst toevoegen aan een afbeelding. Stel de opties in om het gewenste lettertype, de lettergrootte, kleur, uitvulling, inspringing en regelafstand te selecteren. Klik vervolgens op een startpunt in de afbeelding. Er wordt een klein dialoogvenster geopend waarin u tekst kunt invoeren. Voer een of meerdere tekstregels in en klik op Sluiten.

Met het tekstgereedschap maakt u tekst op een speciale laag. Als u de afbeelding wilt bewerken na het toevoegen van tekst, leest u de paragraaf "Lagen". Wanneer de tekstlaag actief is, kunt u de tekst wijzigen door in de afbeelding te klikken en het invoervenster opnieuw te openen. U kunt de instellingen wijzigen door de opties voor het gereedschap te wijzigen.

Afbeeldingen retoucheren — klonenAfbeeldingen retoucheren — klonen

De kloonfunctie werkt ideaal voor het retoucheren van afbeeldingen. Hiermee kunt u in een afbeelding schilderen met gegevens uit een ander gedeelte van de afbeelding. Indien gewenst kunt u ook informatie uit een patroon gebruiken.

Bij het retoucheren kunt u het beste een kleine penseel met zachte randen gebruiken. Op deze manier mengen de wijzigingen zich beter met de oorspronkelijke afbeelding.

Houd voor het selecteren van het bronpunt in de afbeelding Ctrl ingedrukt en klik op het gewenste bronpunt. Schilder vervolgens op de gebruikelijke manier met het gereedschap. Wanneer u de cursor verplaatst tijdens het schilderen, wordt het bronpunt dat wordt aangegeven door een kruis, ook verplaatst. Als Uitlijning is ingesteld op Niet uitgelijnd (de standaardinstelling), wordt de bron teruggezet op de oorspronkelijke waarden wanneer u de linkermuisknop loslaat.

Kleurniveaus aanpassenKleurniveaus aanpassen

Afbeeldingen moeten vaak een beetje worden aangepast om de ideale afdruk- of weergaveresultaten te behalen. In veel programma's die zijn ontworpen voor onervaren gebruikers, worden de helderheids- en contrastniveaus aangepast. Dit kan werken en deze mogelijkheid bestaat ook in The GIMP, maar u kunt betere resultaten behalen door de kleurniveaus aan te passen.

Als u dat wilt doen, selecteert u Laag+Kleuren+Niveaus. Er wordt een dialoogvenster geopend om de niveaus voor de afbeelding in te stellen. Meestal worden goede resultaten bereikt door op Automatisch te klikken. Als u handmatig alle kanalen wilt aanpassen, gebruikt u het pipetgereedschap bij Alle kanalen om gebieden in de afbeelding te kiezen die zwart, neutraal grijs en wit moeten zijn.

Als u een afzonderlijk kanaal wilt aanpassen, selecteert u het gewenste kanaal bij Kanaal. Vervolgens versleept u de witte, zwarte en middelste markers op de schuifregelaar bij Invoerniveaus. U kunt ook de pipetfuncties gebruiken om punten in de afbeelding te selecteren die dienst doen als witte, zwarte en grijze punten voor dat kanaal.

Als Voorbeeld is ingeschakeld, bevat het afbeeldingvenster een voorbeeld van hoe de afbeelding eruit ziet als de wijzigingen zijn toegepast. Wanneer het gewenste resultaat is bereikt, klikt u op OK om de wijzigingen toe te passen. Met Herstellen zet u de oorspronkelijke instellingen weer terug. Met Annuleren heft u de niveau-aanpassing op.

Fouten ongedaan makenFouten ongedaan maken

De meeste wijzigingen die u met The GIMP aanbrengt kunnen ongedaan worden gemaakt. Als u een geschiedenis van de wijzigingen wilt bekijken, gebruikt u het dialoogvenster dat onderdeel is van de standaard vensterlay-out of opent u de geschiedenis vanuit het hoofdvenster met Bestand+Dialogen+Overzicht ongedaan maken.

In het dialoogvenster wordt een basisafbeelding weergegeven en een overzicht van de wijzigingen die ongedaan kunnen worden gemaakt. Met de knoppen kunt u wijzigingen ongedaan maken en opnieuw toepassen. Op deze manier kunt u snel teruggaan naar de basisafbeelding. Als u een wijziging ongedaan maakt en vervolgens een nieuwe wijziging aanbrengt, kunnen de verwijderde wijzigingen niet opnieuw worden uitgevoerd.

U kunt wijzigingen eveneens ongedaan maken en opnieuw uitvoeren via het menu Bewerken. Daarnaast kunt u ook gebruik maken van de sneltoetsen Ctrl-Z en Ctrl-Y.

LagenLagen

Lagen zijn een belangrijk aspect van GIMP. Als u gedeelten van de afbeelding op afzonderlijke lagen tekent, kunt u deze gedeelten wijzigen, verplaatsen of verwijderen zonder de rest van de afbeelding te beschadigen. Als u begrijpt hoe lagen werken, kunt u zich een afbeelding voorstellen als een stapel transparante bladen. Verschillende gedeelten van de afbeelding worden getekend op verschillende bladen. De stapel kan anders worden ingedeeld waarbij andere gedeelten bovenop komen te liggen. Afzonderlijke lagen of groepen lagen kunnen van positie wisselen, waarbij gedeelten van de afbeelding naar andere locaties worden verplaatst. Nieuwe bladen worden toegevoegd en andere worden eruit gehaald.

Gebruik het dialoogvenster Lagen om de beschikbare lagen van een afbeelding weer te geven. Met de tekstfunctie maakt u automatisch speciale tekstlagen. De actieve laag wordt gemarkeerd. De knoppen onder in het dialoogvenster bieden een aantal functies. Er zijn meer knoppen beschikbaar in het menu dat wordt geopend door met de rechtermuisknop te klikken in het dialoogvenster. De twee pictogramruimten voor de naam van de afbeelding worden gebruikt voor het afwisselen van de zichtbaarheid van de afbeelding (oogpictogram wanneer zichtbaar) en voor het koppelen van de lagen. Gekoppelde lagen worden gemarkeerd met het kettingpictogram en verplaatst als groep.

Alleen transparante lagen (een alfakanaal) kunnen bovenop andere lagen in een stapel worden geplaatst. Als u een dergelijk laag wilt toevoegen, klikt u met de rechtermuisknop en selecteert u de optie in het menu.

AfbeeldingsmodiAfbeeldingsmodi

The GIMP kent drie afbeeldingsmodi: RGB, grijswaarden en geïndexeerd. RGB is een normale kleurmodus en dit is de beste modus voor het bewerken van de meeste afbeeldingen. Grijswaarden worden gebruikt voor zwart-witafbeeldingen. Met Geïndexeerd beperkt u de kleuren in de afbeelding tot een bepaald aantal. Deze modus wordt gewoonlijk gebruikt voor GIF-afbeeldingen. Als u een geïndexeerde afbeelding nodig hebt, kunt u gewoonlijk het beste de afbeelding bewerken in RGB en deze converteren naar geïndexeerd voordat u de afbeelding opslaat. Als u opslaat in een indeling waarvoor een geïndexeerde afbeelding nodig is, kunt u de afbeelding indexeren bij het opslaan.

Speciale effectenSpeciale effecten

GIMP omvat een breed bereik van filters en scripts voor het verbeteren van afbeeldingen, en het toevoegen van speciale effecten zodat de afbeeldingen kunstzinnige bewerkingen worden. U vindt deze in Filters en Script-fu. Door te experimenteren kunt u het beste bepalen welke manieren beschikbaar zijn. Xtns in de werkset omvat een aantal opties voor het maken van knoppen, logo's en andere objecten.