Als u wilt surfen op internet of e-mailberichten wilt verzenden of ontvangen, configureert u eerst een internetverbinding met YaST. Afhankelijk van uw omgeving selecteert u in YaST of u NetworkManager wilt gebruiken. In KDE kunt u internetverbindingen tot stand brengen met NetworkManager of met KInternet.
Raadpleeg Gedeelte "Managing Network Connections with NetworkManager" (Hoofdstuk 30, Basic Networking, ↑Deployment Guide) en Gedeelte "Integration in Changing Operating Environments" (Hoofdstuk 25, Mobile Computing with Linux, ↑Deployment Guide) voor een lijst met criteria die u kan helpen beslissen al dan niet NetworkManager te gebruiken.
De NetworkManager-applet moet automatisch tegelijk met het bureaublad worden gestart. De applet wordt vervolgens als pictogram weergegeven in het systeemvak. Kies met de applet het netwerk dat u bij voorkeur wilt gebruiken. Die keuze heeft voorrang op automatisch geselecteerde netwerken. Het gekozen netwerk wordt gebruikt zolang het beschikbaar is. Zodra het niet meer toegankelijk is, probeert NetworkManager automatisch verbinding te maken met een ander beschikbaar netwerk.
Als K$nm; nog niet wordt uitgevoerd, kunt u K$nm; starten met de opdracht knetworkmanager. Wanneer K$nm; wordt uitgevoerd, geeft een pictogram in het systeemvak de huidige netwerkstatus weer. Het uiterlijk van het pictogram verandert afhankelijk van de status van de netwerkverbinding:
Er is een verbinding tot stand gebracht via het bekabelde netwerk.
Er is momenteel geen verbinding met internet.
Er is een draadloze verbinding tot stand gebracht. Blauwe balkjes geven de signaalsterkte weer. Meer blauwe balkjes betekenen een sterker signaal.
Er wordt een verbinding tot stand gebracht of beëindigd.
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram om het KNetworkManager-menu te openen met verschillende opties voor het beheer van netwerkverbindingen. Zie Afbeelding 13.1, "Beschikbare netwerken in de applet KNetworkManager". Het menu bevat beschikbare netwerkverbindingen, zowel voor bekabelde als voor draadloze apparaten. Wanneer u de muisaanwijzer op een verbinding plaatst, worden bijzonderheden over die verbinding weergegeven. De verbinding die op dat moment wordt gebruikt, is gemarkeerd in het menu.
De signaalsterkte van draadloze netwerken wordt weergegeven in het menu. Gecodeerde draadloze netwerken worden in het menu gemarkeerd met een pictogram van een hangslot. Als u verbinding wilt maken met een gecodeerd netwerk, kiest u dit in het menu. In het dialoogvenster dat verschijnt, kiest u het type dat voor het netwerk wordt gebruikt en voert u de juiste of in.
![]() | Verborgen netwerken |
|---|---|
Als u verbinding wilt maken met een netwerk dat de ESSID (Extended Service Set ID) niet uitzendt om automatische detectie te voorkomen, kiest u . In het dialoogvenster dat verschijnt, voert u de ESSID in en stelt u de coderingsparameters in als dat nodig is. | |
Als u alle vertrouwde en niet-vertrouwde netwerken wilt weergeven, klikt u op +.
Om toegang te krijgen tot inbelverbindingen, kiest u . Wanneer al inbelverbindingen zijn gedefinieerd, maakt u verbinding door op de verbinding te klikken die u gebruikt. Met opent u YaST waar u een nieuwe inbelverbinding kunt definiëren. Zie Gedeelte "Modem" (Hoofdstuk 30, Basic Networking, ↑Deployment Guide) voor meer informatie.
NetworkManager ondersteunt meerdere VPN-technologieën. Om daarvan gebruik te kunnen maken, moet u eerst NetworkManager-ondersteuning installeren voor de gewenste VPN-technologie. U kunt kiezen uit:
NovellVPN
OpenVPN
vpnc (Cisco)
VPN-ondersteuning is onderdeel van de pakketten NetworkManager-novellvpn, NetworkManager-openvpn en NetworkManager-vpnc.
U configureert een nieuwe VPN-verbinding met KNetworkManager door met de linkermuisknop op de KNetworkManager-applet te klikken en de volgende stappen uit te voeren:
Kies +.
Druk op en om een configuratie-wizard te starten.
In het volgende dialoogvenster kiest u het type VPN-verbinding dat u wilt maken.
Geef uw configuratie een naam in .
Voer alle benodigde informatie in voor het type verbinding. U vult bijvoorbeeld bij een OpenVPN-verbinding in en kiest de verificatiemethode uit . Kies afhankelijk van de gekozen verbinding de overige vereiste opties.
U kunt ook instellingen laden uit een opgeslagen configuratiebestand door op te drukken en het configuratiebestand te kiezen in het dialoogvenster.
Druk op .
Nadat de VPN-verbinding is geconfigureerd, kunt u die selecteren bij . Als u een VPN-verbinding wilt beëindigen, klikt u op .
NetworkManager onderscheidt twee typen draadloze verbindingen: vertrouwde en niet-vertrouwde. Een vertrouwde verbinding is elk netwerk dat u in het verleden expliciet hebt geselecteerd. Alle overige netwerken zijn niet vertrouwd. Vertrouwde verbindingen worden aangeduid met de naam en het MAC-adres van het toegangspunt. Gebruik van het MAC-adres voorkomt dat u een ander toegangspunt gebruikt met dezelfde naam als de vertrouwde verbinding.
Als geen verbinding mogelijk is via het bekabelde netwerk, zoekt NetworkManager naar beschikbare draadloze netwerken. Als meerdere vertrouwde netwerken worden gevonden, wordt automatisch het laatst gebruikte netwerk geselecteerd. Als uitsluitend niet-vertrouwde netwerken worden gevonden, wacht NetworkManager tot u een netwerk selecteert.
Als de instelling voor het coderen anders is maar de naam en het MAC-adres zijn ongewijzigd, probeert NetworkManager verbinding te maken. Eerst wordt u echter gevraagd de nieuwe coderingsinstellingen te bevestigen en bijgewerkte gegevens te verstrekken zoals een nieuwe sleutel.
Bij een systeem met uitsluitend een draadloze verbinding, brengt NetworkManager tijdens het opstarten de verbinding niet automatisch tot stand. U moet zich eerst aanmelden om verbinding te kunnen maken. Als u zonder aanmelden een draadloze verbinding wilt maken, configureert u de vertrouwde verbinding met YaST (zie Gedeelte "Configuration with YaST" (Hoofdstuk 29, Wireless Communication, ↑Deployment Guide) voor instructies). Uitsluitend draadloze verbindingen die met YaST zijn geconfigureerd zijn voor NetworkManager voldoende betrouwbaar om tijdens het opstarten te gebruiken.
Als u overschakelt naar de modus offline, maakt NetworkManager de ESSID leeg. Daardoor bent u er zeker van dat de kaart daadwerkelijk wordt ontkoppeld.
Als u zich in een vliegtuig bevindt of in een andere omgeving waar geen draadloos netwerk mag worden gebruikt, kunt u dit eenvoudig uitschakelen met de applet KNetworkManager. Tevens kunt u alle netwerken uitschakelen, zowel bekabeld als draadloos.
Als u het draadloze netwerk wilt uitschakelen vanaf het KDE-bureaublad, klikt u met de rechtermuisknop op de KNetworkManager-applet en selecteert u +. Als u het draadloze netwerk weer wilt inschakelen, klikt u met de rechtermuisknop op de KNetworkManager-applet en selecteert u +.
Als u alle netwerken wilt uitschakelen vanaf het KDE-bureaublad, klikt u met de rechtermuisknop op de KNetworkManager-applet en selecteert u +. Als u alle netwerken weer wilt inschakelen, klikt u met de rechtermuisknop op de KNetworkManager-applet en selecteert u +.