E-mailE-mail

Kontact maakt gebruik van KMail als e-mailcomponent. U kunt KMail configureren door de e-mailcomponent te openen en Instellingen+KMail configureren te selecteren. KMail is een complete e-mailclient en ondersteunt meerdere protocollen. Extra bevat diverse handige hulpprogramma's voor het beheren van ongewenste e-mailberichten. Met Zoeken kunt u gedetailleerde zoekopdrachten naar berichten uitvoeren. Met de Anti-spamwizard kunt u hulpprogramma's voor het filteren van ongewenste commerciële e-mailberichten beheren. Met de Anti-viruswizard kunt u e-mailvirusscanners beheren. Deze twee wizards werken met externe spam- en virussoftware: Als de opties zijn gedeactiveerd, installeert u aanvullende pakketten tegen spam en virussen.

Figuur 4.2. De e-mailcomponent van Kontact

De e-mailcomponent van Kontact

Identiteiten en accounts configurerenIdentiteiten en accounts configureren

Met Kontact kunt u meerdere e-mailaccounts beheren, bijvoorbeeld uw persoonlijke en uw zakelijke e-mailadres. Tijdens het schrijven van een e-mailbericht selecteert u een van de eerder gedefinieerde identiteiten door op Weergave+Identiteit te klikken. Om een nieuw identiteitsprofiel te maken, selecteert u Instellingen+KMail configureren en Identiteiten+Toevoegen. Er wordt een dialoog geopend, waarin u de nieuwe identiteit een naam geeft, bijvoorbeeld "persoonlijk" of "kantoor." Klik op OK. Er wordt een dialoog geopend waarin u extra informatie kunt invoeren. U kunt een identiteit ook aan een map toewijzen, zodat deze identiteit wordt geselecteerd als u een bericht in die map beantwoordt.

Voer op het tabblad Algemeen uw naam, organisatie en e-mailadres in. Selecteer onder Cryptografie uw sleutels en verzend digitaal ondertekende of gecodeerde berichten. De coderingsfuncties werken alleen als u eerst een sleutel hebt gemaakt met KGpg, als omschreven in Hoofdstuk 10, Codering met KGpg.

Onder Geavanceerd kunt u een standaard antwoordadres en een standaard Blind Carbon Copy (BCC)-adres invoeren, een woordenboek kiezen, de mappen voor concepten en verzonden berichten selecteren en bepalen hoe berichten moeten worden verzonden. Onder Handtekening kunt u bepalen of en hoe al uw berichten moeten worden ondertekend met een extra tekstblok aan het eind. U kunt bijvoorbeeld ieder e-mailbericht ondertekenen met uw contactgegevens. U kunt deze optie activeren door handtekening activeren te selecteren en te bepalen of u de handtekening wilt verkrijgen via een bestand, een invoerveld of het resultaat van een opdracht. Met Afbeelding kunt u het pad opgeven naar een klein (48x48 pixels) monochroom pictogram, dat u in al uw e-mailberichten kunt opnemen als de software van de ontvanger deze functie ondersteunt. Als u alle identiteitsinstellingen hebt voltooid, klikt u op OK.

De instellingen onder Accounts bepalen hoe e-mailberichten door Kontact worden ontvangen en verzonden. Er zijn twee tabbladen, een voor het verzenden en een voor het ontvangen van e-mail. Veel van deze instellingen zijn afhankelijk van het systeem en het netwerk waarop uw e-mailserver zich bevindt. Als u twijfelt over de instellingen of de te selecteren items, kunt u contact opnemen met uw internetprovider of systeembeheerder.

Als u onder het tabblad Verzenden postbussen voor uitgaande berichten wilt maken, klikt u op Toevoegen. Bepaal of u gebruik wilt maken van het transporttype SMTP of sendmail. In de meeste gevallen is SMTP de juiste keuze. Als u voor SMTP kiest, verschijnt een venster waarin u de gegevens van de SMTP-server moet invoeren. Geef een naam op en voer het serveradres in (dit hebt u van uw internetprovider gekregen). Als de server u vraagt uzelf te verifiëren, activeert u Server requires authentication (Server vereist verificatie). Onder het tabblad Beveiliging vindt u de beveiligingsinstellingen. Geef hier de gewenste coderingsmethode op.

Configureer de instellingen voor het ontvangen van e-mail onder het tabblad Ontvangen. Gebruik Toepassen om een nieuwe account aan te maken. Kies een methode voor het ontvangen van e-mail, bijvoorbeeld lokaal (opgeslagen in Mbox- of Maildir-formaat), POP3 of IMAP. Configureer de instellingen die passen bij uw server.

E-mail importeren van andere e-mailprogramma'sE-mail importeren van andere e-mailprogramma's

Als u e-mail wilt importeren van andere toepassingen, selecteert u Bestand+Berichten importeren in de e-mailweergave van Kontact. Deze bevat momenteel importfilters voor onder meer Outlook Express, het mbox-formaat, e-mail-tekstformaat, Pegasus Mail, Opera en Evolution. Het importprogramma kan ook afzonderlijk worden gestart met de opdracht kmailcvt.

Selecteer de desbetreffende toepassing en klik op Doorgaan. Afhankelijk van het geselecteerde type moet een bestand of map worden opgegeven. Het proces wordt daarna voltooid door Kontact.

Berichten makenBerichten maken

Als u nieuwe berichten te maken, selecteert u Message+Nieuw bericht of klikt u op het desbetreffende pictogram op de werkbalk. Als u berichten vanuit verschillende e-mailaccounts wilt verzenden, selecteert u een van de identiteiten als beschreven in de paragraaf "Identiteiten en accounts configureren". Voer in Naar een e-mailadres of een deel van een naam of adres uit uw adresboek in. Als Kontact uw invoer kan koppelen aan een vermelding in het adresboek, wordt een keuzelijst geopend. Klik op de gewenste contactpersoon of voltooi de invoer als er geen match met het adresboek wordt gevonden. U kunt het e-mailadres ook rechtstreeks in het adresboek selecteren door op de knop ... naast het adresveld te klikken.

Als u koppelingen met uw bericht wilt meesturen, klikt u op het paperclippictogram en selecteert u het bestand dat u wilt bijsluiten. U kunt ook een bestand van het bureaublad of een andere map naar het venster Nieuw bericht slepen of een optie in het menu Koppelen selecteren. Normaal gesproken wordt het formaat van het bestand correct herkend. Als het formaat niet wordt herkend, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram. Er verschijnt een menu. Selecteer Eigenschappen. Stel in de volgende dialoog het formaat en de bestandsnaam in en voeg een omschrijving toe. Bepaal verder of het gekoppelde bestand moet worden ondertekend of gecodeerd.

Als u klaar bent met uw bericht, kunt u het meteen verzenden met Bericht+Verzenden of naar het Postvak UIT verplaatsen met Bericht+Send Later (Later verzenden). Als u een e-mailbericht verzendt, wordt het bericht na afloop gekopieerd naar Verzonden berichten. Berichten die naar het Postvak uit zijn verplaatst, kunnen worden bewerkt of verwijderd.

Gecodeerde e-mailberichten en handtekeningenGecodeerde e-mailberichten en handtekeningen

Voordat u uw e-mailberichten kunt coderen, moet u eerst een sleutelpaar aanmaken als omschreven in Hoofdstuk 10, Codering met KGpg. Om de details van de coderingsprocedure te configureren, selecteert u Instellingen+KMail configureren+Identiteiten om de identiteit op te geven waaronder gecodeerde en ondertekende berichten moeten worden verzonden. Klik daarna op Wijzigen. Als u afsluit met OK, wordt de sleutel weergegeven in het bijbehorende veld. Sluit de configuratiedialoog met OK.

MappenMappen

Berichtenmappen helpen u uw berichten netjes op orde te houden. Deze mappen bevinden zich standaard in de directory ~/.kde/share/apps/kmail/mail. Als u KMail voor het eerst start, worden diverse mappen gemaakt. In Postvak in worden nieuwe berichten die van een server zijn opgehaald, aanvankelijk geplaatst. In Postvak uit worden berichten die in de wachtrij voor verzenden staan, tijdelijk opgeslagen. In Verzonden worden kopieën van verzonden berichten opgeslagen. De Prullenbak bevat kopieën van alle e-mailberichten die zijn verwijderd met Del of Bewerken+Naar prullenbak verplaatsen. In Concepten kunt u onvoltooide berichten opslaan. Als u IMAP gebruikt, worden de IMAP-mappen onder de lokale mappen weergegeven. De mappen van alle servers voor inkomende e-mail worden opgenomen in de mappenlijst.

Als u uw berichten in extra mappen wilt onderbrengen, kunt u nieuwe mappen maken door Mappen+Nieuwe map te selecteren. Er verschijnt een venster waarin de naam en formaat van de nieuwe map moet worden ingevoerd.

Klik met de rechtermuisknop op de map. Er wordt een contextmenu weergegeven met diverse mapbewerkingen. Klik op Verlopen om de verloopdatum voor gelezen en ongelezen berichten vast te stellen en te bepalen wat er na de verloopdatum met deze berichten moet gebeuren en of verlopen berichten moeten worden verwijderd of verplaatst naar een map. Als u een map wilt gebruiken om berichten van een mailinglijst op te slaan, kunt u de vereiste opties instellen via Map+Mailing List Management (Mailinglijstbeheer).

Om een of meer berichten van de ene map naar de andere te verplaatsen, sleept u de berichten uit het bovenste venster en plaatst u deze in de gewenste map in het linkervenster. Berichten kunnen ook worden verplaatst door deze te markeren en op M te drukken of Bericht+Verplaatsen naar te selecteren. Er verschijnt een mappenlijst. Selecteer de map waarnaar u de berichten wilt verplaatsen.

FiltersFilters

Filters zijn een handig hulpmiddel om inkomende e-mailberichten automatisch te verwerken. Ze maken gebruik van bepaalde kenmerken van de berichten (bijvoorbeeld afzender of grootte) om e-mailberichten naar specifieke mappen te verplaatsen, naar de afzender terug te sturen of een aantal andere acties uit te voeren.

Een filter instellenEen filter instellen

U kunt een volledig nieuw filter maken met Instellingen+Filters configureren. Als u een filter wilt maken op grond van een bestaand bericht, klikt u met de rechtermuisknop op het betreffende bericht en selecteert u Filter maken en de gewenste filtercriteria.

Selecteer de matchmethode voor filtercriteria (één of alle). Selecteer vervolgens criteria die alleen op de gewenste berichten van toepassing zijn. Geef in Filterhandelingen op wat het filter moet doen met de berichten die aan de criteria voldoen. Met Geavanceerde opties kunt u bepalen wanneer het filter moet worden toegepast en of voor de betreffende berichten meer filters nodig zijn.

Filters toepassenFilters toepassen

Filters worden toegepast in de volgorde die is vermeld in de dialoog die kan worden geopend met Instellingen+Filters configureren. U kunt de volgorde wijzigen door een filter te selecteren en op de pijltjesknoppen klikken. Filters worden alleen toegepast op nieuwe inkomende berichten of verzonden berichten als vastgelegd in de geavanceerde opties van het filter. Om filters op bestaande berichten toe te passen, klikt u met de rechtermuisknop op de gewenste berichten en selecteert u Filter toepassen en het gewenste filter.

Als uw filters niet het gewenste resultaat opleveren, kunt u ze bewaken via Extra+Filter Log Viewer (Filterlogbestand-viewer). Als het maken van logbestanden in deze dialoog is geactiveerd, wordt weergegeven hoeveel berichten door uw filters zijn verwerkt en wordt u geholpen het probleem op te sporen.