KGpg biedt ook de mogelijkheid om teksten of de inhoud van het klembord te coderen. Klik met rechtermuisknop op het hangslotpictogram. Er verschijnt een contextmenu met de opties en en de optie voor het openen van de geïntegreerde editor.
Naar het klembord gekopieerde bestanden kunnen met een paar muisklikken worden gecodeerd. Open het functieoverzicht door met de rechtermuisknop op het hangslotpictogram van KGpg te klikken. Selecteer en geef de sleutels op die u wilt gebruiken. Op het bureaublad verschijnt een bericht met de status van de coderingsprocedure. De gecodeerde inhoud kan nu naar wens vanaf het klembord worden verwerkt. De decodering van het klembord werkt al even eenvoudig. Open het menu in het venster, selecteer en voer het wachtwoord van uw persoonlijke sleutel in. De gedecodeerde versie is nu beschikbaar voor verwerking in het klembord en in de editor van KGpg.
Om bestanden te coderen of decoderen, klikt u op de pictogrammen op het bureaublad of in de bestandsbeheerder, sleept u deze naar het hangslot in het venster en laat u de muisknop weer los. Als het bestand niet is gecodeerd, vraagt KGpg welke sleutel u wilt gebruiken. Zodra u een sleutel selecteert, wordt het bestand zonder verdere berichtgeving gecodeerd. In de bestandsbeheerder worden gecodeerde bestanden aangeduid met het achtervoegsel .asc en het hangslotpictogram. Deze bestanden kunnen worden gedecodeerd door op het bestandspictogram te klikken, dit naar het PGpg-pictogram in het venster te slepen en de muisknop weer los te laten. Als de oorspronkelijke bestandsnaam reeds bestaat, wordt een dialoog geopend waarin u wordt gevraagd naar de naam van het bestand en of het moet worden overschreven.
U kunt te coderen inhoud in een externe editor aanmaken en het bestand daarna coderen volgens een van de methoden die hiervoor zijn beschreven, maar u kunt het bestand ook aanmaken met de geïntegreerde editor van KGpg. Open de editor ( in het contextmenu), voer de gewenste tekst in en klik op . Selecteer de sleutel die u wilt gebruiken en voltooi de coderingsprocedure. Om bestanden te decoderen gebruikt u en voert u het wachtwoord van de sleutel in.
Het aanmaken en controleren van handtekeningen op documenten werkt al even eenvoudig als het rechtstreeks coderen vanuit de editor. Selecteer een bestand in de bestandsbeheerder en kopieer het naar het klembord. Klik met de rechtermuisknop op het hangslotpictogram in het venster en selecteer . Selecteer daarna de persoonlijke sleutel die wilt gebruiken en voer het bijbehorende wachtwoord in. Er wordt een bericht weergegeven als de handtekening met goed gevolg is aangemaakt. Bestanden kunnen ook eenvoudig vanuit de editor worden ondertekend door te klikken op . Als u een ondertekend bestand wilt controleren, gaat u naar +, laadt u het bestand om het in de editor te controleren en klikt u op .